Overig

Laat kinderen al op jonge leeftijd in aanraking komen met het bedrijfsleven

788

De leerling van nu is de werknemer van de toekomst. Als het bedrijfsleven vroegtijdig in jongeren investeert, zal zij daar later optimaal van kunnen profiteren.

Overheid en onderwijsinstellingen zien steeds meer in dat het van groot belang is om onderwijs en het bedrijfsleven dichter bij elkaar te brengen. Want om het onderwijs op het bedrijfsleven aan te laten sluiten, is een goede samenwerking tussen scholen en ondernemers onontbeerlijk. Maar ook bedrijven hebben een rol in het verbeteren van het onderwijs. Zo kunnen zij stageplaatsen aanbieden om zo een soort garantie te creëren om over voldoende gekwalificeerd personeel in de toekomst te beschikken.

Agnes Klaren, André van Ballegooijen, Hillebrand Beärda, Marijke Honing, Erwin Boer, Peter Vrancken en Frans van Weert praten in het opleidingscentrum van McDonald’s in Dordrecht Centrum over dit onderwerp.

Zuigkracht

Een goed voorbeeld van een constructieve verbinding tussen opleiding en het bedrijfsleven is het opleidingscentrum van Bakker Sliedrecht. André van Ballegooijen is hoofd van dit opleidingscentrum waar theorie wordt afgewisseld met de praktijk. “Een aantal jaren geleden hebben wij een opleidingscentrum opgezet om jongeren klaar te stomen voor een carrière bij Bakker Sliedrecht. In onze bedrijfsschool verzorgen wij voor gediplomeerde VMBO-leerlingen de opleiding tot monteur.” Agnes Klaren is onder andere manager Leerhuis bij het Albert Schweitzer ziekenhuis. Ook het Albert Schweitzer ziekenhuis heeft opleiding en onderwijs hoog in het vaandel staan. “Wij vinden het belangrijk om werkelijk fysiek op de vloer les te geven. Momenteel hebben wij ongeveer 100 dokters en 80 verpleegkundigen in opleiding.” Als Onderwijscoördinator op CSG De Lage Waard juicht Hillebrand Beärda deze vorm van samenwerking toe. “In de veertig jaar dat ik aan het onderwijs verbonden ben, heb ik altijd als doel gehad om onderwijs, organisaties en ondernemers aan elkaar te koppelen.” Hij is er voorstander van dat leerlingen al op zeer jonge leeftijd in aanraking komen met de arbeidsmarkt. Eigenlijk al vanaf de basisschool. Hij vertelt waarom: “Jaren geleden zag ik een jongetje op een Havenfestival vol overgave proberen om met een kraan een spijker in een smal buisje te krijgen. Hij was op dat moment de kraandrijver van de toekomst. Ik vind het spijtig dat kinderen tegenwoordig weinig mogelijkheden hebben om al op jonge leeftijd kennis te maken met een vak. Wij scholen, maar ook de bedrijven en de overheid zijn er verantwoordelijk voor om die zuigkracht eerder in te zetten. Op jonge leeftijd willen kinderen zich nog spiegelen aan volwassenen.” Relatieregisseur  van Konekto Frans van Weert haakt hierop in: “Als je mensen een schip wilt laten bouwen, moet je ze niet alleen touwen en hout geven maar ook de liefde voor de zee bijbrengen. Als je een passie kunt aanwakkeren voor een bepaalde sector of vak komt de rest vanzelf wel. We zien dat het onderwijs verandert. In plaats van het enkel en alleen overdragen van kennis, draait het steeds meer om het aanleren van vaardigheden. Dat betekent dat de praktijk steeds belangrijker wordt en daar is een duurzame samenwerking tussen opleiders en ondernemers voor nodig.”

Opleidingstraject

Peter Vrancken – voorzitter college van bestuur Da Vinci College – benadrukt nog eens dat er alleen sprake kan zijn van goed onderwijs als dit in samenwerking plaatsvindt. Een mooi voorbeeld hiervan is de Duurzaamheidsfabriek. Bedrijven hebben hier met een deel van hun activiteiten intrek genomen om samen met onderwijsinstellingen en kennisinstituten onderwijs in praktijksituaties te geven aan nieuwe generaties technici. “Door met veel bedrijven samen te werken, benader je veel eerder de wensen en behoeften van zowel de leerlingen als de bedrijven.” Agnes Klaren vertelt dat ook het Albert Schweitzer ziekenhuis meer en meer toe wil naar een verbinding met andere, aanpalende instellingen. “Stagiaires kunnen zo niet alleen een kijkje in de keuken van het ziekenhuis nemen, maar ook bij verpleeg- en zorgtehuizen. Het opdoen van ervaring is een traject, je werkt naar iets toe door verschillende stapjes te nemen.” Peter Vrancken geeft aan dat de samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven meer moet inhouden dan het aanbieden van stageplekken of apparatuur beschikbaar stellen. Het bedrijfsleven moet invloed kunnen hebben op het curriculum, maar het is ook de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om breder op te leiden dan alleen voor de vraag van vandaag. Als Account Adviseur van Baanbrekend Drechtsteden weet Erwin Boer als geen ander dat een opleidingstraject in samenwerking met bedrijven vaak noodzakelijk is om werkzoekende jongeren aan een baan te helpen. “Er is een groep jongeren dat een stukje netwerk mist om een passende baan te vinden. Wij helpen kandidaten die een bijstandsuitkering ontvangen van de Sociale Dienst Drechtsteden, of op het punt staan deze aan te vragen, bij het vinden van werk. Baanbrekend Drechtsteden bemiddelt regelmatig kandidaten naar werk via een opleiding, training of begeleiding op de werkvloer. Zo vergroten zij hun kansen op de arbeidsmarkt.”

Voldoende stage- en leerwerkplekken

De deelnemers aan het rondetafelgesprek zijn het roerend met elkaar eens; om leerlingen zo goed mogelijk klaar te stomen voor een baan, moeten zij al op jonge leeftijd kennis maken met meerdere soorten arbeidsplaatsen. De vraag is of er wel voldoende stage- en leerwerkplekken in de regio beschikbaar zijn om aan de vraag te voldoen? Frans van Weert vindt van wel. “Alleen,” zo zegt hij, “zijn er vaak te weinig connecties om alle plekken te vinden. Wij ondersteunen in dit proces door in gesprek te gaan met bedrijven, eigenlijk vinden we dan altijd wel iets passends. Het bedrijfsleven is zeker bereid om  mee te werken, echter ondernemers willen niet te veel gedoe.” Marijke Honing – eigenaresse McDonald’s Dordrecht-Centrum en Dordrecht Noord – beaamt dit. “Om ons bedrijf als stageplaats aan te bieden is niet altijd even eenvoudig. Je moet in contact komen met de juiste scholen en hun stage-coördinatoren. Niet elke ondernemer heeft zin om daar zelf achteraan te gaan.” Peter Vrancken geeft aan dat er grote verschillen zijn tussen sectoren voor wat betreft de beschikbaarheid van stageplekken. “We werken met ruim 3400 bedrijven samen en in sommige sectorenzijn er wel degelijk tekorten aan stagemogelijkheden voor onze studenten. Bijvoorbeeld in de zorg is het voor sommige jongeren lastig om een plek te krijgen.” Agnes Klaren kan dit wel verklaren. “Om zorginstellingen financieel gezond en toekomstbestendig te maken, zijn er veel banen geschrapt die er ook niet meer zo snel bij zullen komen. Minder arbeidsplaatsen betekent ook minder ruimte voor personeel in opleiding. Daarnaast krijgen we meer te maken met complexere situaties. Zo is de opnameduur van patiënten korter en worden patiënten steeds zieker. Onze medewerkers moeten hierdoor op een hoger niveau kunnen werken, waardoor er steeds minder plaats is voor personeel in opleiding van een lager niveau.” Een ander probleem is volgens Peter Vrancken dat er bedrijven zijn die aangeven liever niet met allochtonen te willen samenwerken. “Voor deze groep jongeren is het lastiger om een plek te vinden.” André van Ballegooijen herkent dit niet. “Dit speelt bij ons absoluut geen rol, toch merk ik wel dat onze stageplekken vooral door autochtone jongeren opgevuld worden. De allochtone jeugd belt wel, maar vaak vlak voordat de stage begint, wanneer alle plaatsen al vergeven zijn.” Ook Hillebrand Beärda krijgt hier niet veel mee te maken. “Het lukt ons eigenlijk altijd wel om voor alle leerlingen een stageplek te vinden.” Marijke Honing die onder ander een plek biedt aan stagiaires van CSG De Lage Waard snapt dit wel. “Op deze school is het zo geregeld dat bedrijven vooraf kunnen aangeven hoeveel stageplekken zij beschikbaar hebben en in wat voor vakgebieden. De school maakt zelf een voorselectie en kijkt welke leerling het beste bij welke stageplek past.”

Participatiewet

Een ander heikel punt is de nieuwe Participatiewet die naar verwachting op 1 januari 2015 in werking treedt. Met de Participatiewet wil de overheid meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk krijgen. Werkgevers hebben met de overheid afgesproken extra banen te scheppen voor mensen met een arbeidsbeperking zoals Wajongers. Geven werkgevers niet genoeg banen vrij, dan dwingt de overheid deze af met een quotum. Circa 80 procent van de werkgevers heeft al aangegeven geen werk te hebben voor deze groep. Ook Agnes Klaren ziet hierin een grote uitdaging. “Het Albert Schweitzer ziekenhuis voelt zich maatschappelijk verplicht om hieraan te voldoen. Het is alleen niet heel eenvoudig voor ons om de juiste plek te vinden voor mensen met een arbeidsbeperking.” Peter Vrancken vult haar aan. “Wij hebben maar een beperkt aantal functies waar je deze groep mensen echt goed kunt inzetten, je kunt ze niet voor de klas zetten. Ik begrijp dat het nodig is, maar het wordt er voor bedrijven en organisaties niet eenvoudiger op, zeker niet in concurrentie met de afgestudeerden op de lagere niveaus van het MBO.” Erwin Boer ondervindt dagelijks dat de vraag van het niveau hoger ligt dan het aanbod. Maar zijn ervaring leert dat er vaker naar competenties en talenten gekeken moet worden dan alleen maar naar opleidingen. “Werkgevers zeggen al snel; ik hoef niet iemand die ingeschreven staat bij de Sociale Dienst. Toch is het zaak om verder te kijken en deze mensen een kans te geven. Kijk goed naar iemands arbeidsverleden. Een man die bij ons ingeschreven stond als timmerman, bleek een heel binnenschip vertimmerd te hebben. Zo’n persoon kan enorm waardevol zijn voor een scheepsbouwbedrijf.” Voor André van Ballegooijen is hiermee het cirkeltje rond. Hij zegt: “Als er al bij jongeren een passie voor een vak ontstaat, zullen ze veel eerder een baan vinden.” Hillebrand Beärda vindt het dan ook zaak om jongeren zo vroeg mogelijk in aanraking met het bedrijfsleven te laten komen. “We hebben onder andere met Konekto de verantwoordelijkheid genomen om kinderen via de onderwijsroute het bedrijfsleven binnen te brengen. Bedrijven kunnen op die manier kennis maken met hun mogelijk toekomstige medewerkers en daarnaast is de kans dat er bij kinderen al op jonge leeftijd liefde voor een vak of sector ontstaat vele malen groter.”