Overig

Ontbreken van een schriftelijke overeenkomst: Wat zijn de afspraken tussen partijen?

271

 

Een reguliere dag op mijn kantoor waarbij een afspraak met een nieuwe cliënt staat ingepland. Tijdens de intake blijkt dat cliënt stelt een samenwerkingsverband te zijn aangegaan met derden waarin afgesproken zou zijn dat klanten gezamenlijk zouden worden bediend en winsten zouden worden verdeeld. Hij wil aanspraak maken op deze overeenkomst. De afspraken zijn niet schriftelijk vastgelegd. Staat deze cliënt nu met lege handen?

Een recent in het najaar van 2011 gewezen arrest ( HR 2 september 2011, RvdW 2011/1041) biedt misschien uitkomst.

In deze zaak bestond geen schriftelijke overeenkomst en was de vraag of een maatschap bestond. Ook stond de vraag centraal of een rechtsverhouding in de loop van de tijd zonder nadere overeenkomst / nadere expliciete afspraken van karakter kan veranderen bij een veranderende feitelijke situatie.

De vader van eiser in cassatie voerde van oudsher een dierenartsenpraktijk in de vorm van een B.V. De B.V. had een aantal dierenartsen in dienst. Vanaf 1987 is de juridische structuur van de dierenartsenpraktijk veranderd. De B.V. kreeg de functie van een beheersmaatschappij, een aantal werknemers richtten eigen B.V.s op en kwamen onderling verschillende samenwerkingsverbanden tot stand. Het uiteindelijke samenwerkingsverband bestond uit verweerders en eiser in cassatie .

Het geschil dat tussen partijen is ontstaan betrof de juridische kwalificatie van dit samenwerkingsverband en de daarop gebaseerde financiële aanspraken. Het hof heeft vooropgesteld dat onvoldoende vaststond dat sprake was van expliciete afspraken waaruit zou blijken dat partijen de intentie hadden een maatschapsovereenkomst te sluiten. Met dat uitgangspunt moet volgens het hof vervolgens aan de hand van alle overige omstandigheden en aanwijzingen beoordeeld worden of er vanaf enig moment een maatschap bestond. Daarbij heeft het hof de door de rechtbank in haar vonnis aangegeven algemene kenmerken en elementen van een maatschap onderschreven en geoordeeld dat er inderdaad van een maatschapsovereenkomst sprake is geweest.

De Hoge Raad bekrachtigt het arrest van het hof en bevestigt daarmee dat de afzonderlijke elementen van een overeenkomst beoordeeld dienen te worden bij de vraag of uit de feiten en omstandigheden van het desbetreffende geval kan worden afgeleid dat sprake is van een feitelijke situatie die duidt op het bestaan van die bepaalde overeenkomst en van een daarop gerichte wil van partijen. Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat een verandering in de aanvankelijke rechtsverhouding tussen partijen mogelijk is zonder dat tussen hen een specifieke nieuwe overeenkomst is gesloten.

Dit betekent dat u – zelfs zonder schriftelijke overeenkomst – rekening moet houden met ontstane afspraken waaruit juridische gevolgen voortvloeien en met niet gewenste wijzigingen van een overeenkomst gebaseerd op de feitelijke situatie. Periodieke evaluatie van een samenwerking en het op papier zetten van afspraken is dan ook een must.

– Iris van Rooij